Beklimming van La
Tournette (Frankrijk)
De eerste plannen waren gemaakt in maart van dit
jaar. Een aantal fanatiekelingen had het plan opgevat een klim te wagen
naar de top van één van de hoogste bergen van Frankrijk,
La Tournette. Deze berg ligt aan het meer van Annecy en heeft een
hoogte
van 2351 meter. Dit is niet een berg die je op een zonnige zondagmiddag
beklimt. Hier is meer durf voor nodig. Met name het laatste stuk is het
onontbeerlijk dat je voorzien bent van de juiste uitrusting. De
initiatiefnemers
moesten eerst een aantal anderen warm maken voor een tocht naar de top.
Uiteindelijk waren het 11 mannen, waarvan meer
dan de helft werkzaam als agent/hoofdagent bij de politieregio
Amsterdam/Amstelland,
de bureaus IJtunnel en S' Gravesandeplein, die zich vrijwillig opgaven
om te kunnen afzien. Op woensdag 12 mei 1999 was het zover. De reis zou
duren tot 15 mei.
De reis heen
Die vroege ochtend begonnen in vele slaapkamers
de wekkers te loeien tussen 04.15 en 04.45 uur. Mijn wekker ging
overigens
04.25 uur af. Na enige protesteren stond ik toch maar op daar ik de
komende
dagen niet wilde missen. De bedoeling was toch omstreeks 05.30 uur
vanaf
Houten richting het zuiden te vertrekken. In Houten vond de verdeling
van
de reisgenoten over de beschikbare voertuigen plaats. Er waren 4 auto’s
beschikbaar, waarvan 3 uitgerust met een 27 MC bak, voor de nodige
communicatie.
Tevens was er beschikking over 2 70 cm-porto’s die de auto zonder
bakkie
van de nodige communicatie moest voorzien. Daarnaast was er nog een
aanhangwagen
voor de benodigde uitrustingsstukken zoals tenten, slaapzakken en
slaapmatjes
voor de nodige rust. Ook nog tal van andere benodigdheden zoals touwen,
haken, kookgerei en een tweetal barbecues werden niet vergeten. In
eerste
instantie was het de bedoeling om direct na aankomst in Houten en na
verdeling
van de personen en goederen over de verschillende voertuigen af te
reizen.
Dit stond gepland tussen 05.30 - 06.00 uur. Echter het een en ander had
nogal wat voeten in de aarde. Hadden we genoeg voertuigen, was de
capaciteit
van de aanhanger voldoende etc. Uiteindelijk begonnen wij pas met de
reis
rond de klok van 07.00 uur.
De heenreis verliep zonder al te veel problemen
zij het dat eén auto zeer regelmatig buiten het zendbereik van
de
porto’s, zo’n 1,5 tot 2,5 kilometer, manoeuvreerde.
De camping
In het pittoreske dorpje Talloires (Haute-Savoie),
aan het meer van Annecy ligt de camping Le Lanfonnet. Eenmaal op de
camping
kun je uit verschillende kampeerplaatsen kiezen met een afstand van
ongeveer
150 meter van het meer. Niet voor dit reisgezelschap. Wij vonden een
prachtige
kampeerplaats pal aan het meer, afstand tent/meer ongeveer 5 meter.
Eén
van de organisatoren had een, in zijn ogen zéér ruime,
tent
meegenomen. Hij dacht dat er gemakkelijk 11 man in konden slapen.
Uiteraard
werd dit bericht door andere reisgenoten met een pak zout genomen.
Daarom
had één van hen een kleine tent in de kofferbak gestopt,
just to be sure. En dat was maar goed ook. Met z’n achten was de grote
tent dan ook echt vol, meer paste er niet in, tenzij er gestapeld werd
en dat slaapt niet echt prettig. Zeker niet in de laatste plaats daar
er
flink gesnurkt werd. Al met al konden wij allen tegen bedtijd een droge
slaapplaats vinden. En dat hadden wij nodig ook want s’nachts heeft het
flink gehoosd.
De tocht naar de top
De avond van aankomst hebben wij, middels meegebrachte
GSM’s contact gemaakt met het thuisfront. In de eerste plaats om te
vertellen
dat wij hen "vreselijk" misten en om de actuele weerberichten te
beluisteren
via teletekst. Ons bereikte het bericht dat de donderdag 13-05 voor het
gebied rond de alpen zeer slecht weer opkomst was met harde rukwinden
en
slagregens, gepaard met hagel. De vrijdag zou er beter uitzien. Daarom
hebben wij besloten om niet, zoals in eerste instantie de bedoeling
was,
donderdag de tocht naar de top te aanvaarden maar deze uit te stellen
tot
vrijdag. Dus de donderdag morgen lekker uitgeslapen en alles op het
dooie
akkertje in gang gezet. Een bakkie koffie, koekje erbij. Terwijl de
ogen
door de eerste slokjes koffie geopend werden bleek het qua weer best
mee
te vallen.
Daardoor besloten wij pas, rond halfelf, toch
die dag de tocht naar de top te aanvaarden. Veel later dan wij in
eerste
instantie gepland hadden. Enfin de stafkaart erbij gepakt. Wij besloten
met drie auto’s naar een dorpje te rijden en vandaar uit de tocht te
gaan
beginnen. De bedoeling was dat wij via de andere kant van de bergkam
zouden
afdalen. Hierdoor zouden wij geen twee keer dezelfde route te hoeven
lopen.
Het leek zo’n aardige geste. De auto’s hadden wij geparkeerd bij het
plaatselijke
kerkje. Alhier was ook een waterbron die ijskoud drinkbaar water
leverde.
Eigenwijs als wij zijn heeft nagenoeg niemand van deze gelegenheid
gebruik
gemaakt. Immers onze veldflessen waren bijna helemaal vol. Vanaf het
kerkje
begon de tocht. In eerste instantie was het een geasfalteerd pad dat
behoorlijk
steil omhoog liep. Vanuit nul-stand en dan direct in een behoorlijke
versnelling
naar boven was voor velen al een zware opgaaf. Het gehijg, na ongeveer
40 meter, was daarom ook niet van de lucht. Na dit stuk bleef de weg
steil
naar boven hellen maar de beenspieren en longen begonnen redelijk te
wennen
aan het tempo en het feit dat er gepresteerd moest worden. Het lopen
voelde
iets minder zwaar aan. Op een gegeven moment liepen wij langs een klein
stenen huisje, waarvoor een stroompje liep en kwamen wij voor het eerst
in aanraking met sneeuw. Het stroompje was bergopwaarts, met een
sneeuwdakje
overdekt, een imposant gezicht.
Het geasfalteerde weggetje met de beschreven stijging
ging over in een wat moeilijker pad met losliggende rotsblokken en
vooral
kleine rotsblokjes waarover je regelmatig uitgleed, rolde zogezegd. Op
een gegeven moment lag midden op het pad een enorm rotsblok. Het pad
splitste
zich er omheen. Na ongeveer 150 meter klimmen kwamen wij de eerste
sneeuw-versperring
tegen. Deze lag dwars over het pad welke in het geheel niet meer te
zien
was. Hier hoorde ik de eerste geluiden van: "jammer dat hier onze tocht
moet eindigen".
Het afzien was nog nauwelijks begonnen. Wij laten
ons door zo’n kleine tegenslag natuurlijk niet uit het veld slaan.
Toen wij deze sneeuwversperring overstaken kwamen
de eerste korrels sneeuw en ijs in mijn schoenen terecht. Ik kon toen
nog
niet vermoeden dat ik vanaf hier ruim 8 uur liep te soppen in mijn
schoenen.
Deze sneeuwversperring hadden wij vrij snel overgestoken en liepen
verder
over het teruggevonden pad.
Nadat wij dit pad een tijdlang hadden gevolgd
stuitten wij wederom op een sneeuwvlakte. Alleen deze was een tikkeltje
groter dan de eerste. In het middel, onder de sneeuwmassa hoorden wij
ook
een rivier bulderen. In eerste instantie zagen wij deze niet en het was
best een angst aanjagend geluid. Nadat wij een gedeelte van deze
sneeuwmassa
hadden overgestoken zagen wij de rivier, woest stromend, onder de
sneeuw
vandaan komen. Er bleek geen andere keuze wij moesten deze rivier
oversteken
om, aan de andere zijde van de sneeuwmassa, het pad weer op te pakken.
Op een gegeven moment vonden wij een oversteekplaats, welke veilig
leek,
met een breedte van ongeveer 2 meter. Aan de rechterzijde van de
oversteekplaats
was een helling van sneeuw waar de rivier met donderend geraas onder
vandaan
kwam. Aan de linkerzijde van de oversteekplaats verdween de rivier
direct
onder een overkapping van sneeuw en ijs, die ongeveer 400 meter lager
uitkwam.
Een misstap zou dit verregaande gevolgen kunnen hebben. De stroom is
sterk
en het water ijskoud en niet te vergeten de scherpe rotsranden die door
het snelstromende water zijn gevormd. Toch konden wij vrij gemakkelijk
deze stroom oversteken zonder noemenswaardige incidenten. Via het pad,
dat weer opdook aan het einde van de sneeuwvlakte, hebben wij onze reis
kunnen voortzetten. Na enige tientallen meters kwamen wij wederom in
aanraking
met sneeuw. Het pad was in het geheel niet meer te zien en wij moesten
improviseren om toch de juiste weg te kiezen. Bij oversteekplaatsen
kwamen
wij gaten in de sneeuw tegen die door het smelten van de sneeuw waren
ontstaan.
Sommige gaten waren wel 4 meter diep. Op een hoogte van zo’n kleine
1000
meter voel je je niet echt blij als je op de rand van zo’n gat naar
beneden
kijkt. Zoals ik al eerder beschreef begonnen mijn schoenen ernstige
tekenen
van verzadiging te vertonen, verzadiging van water wel te verstaan. En
ik moest nog zo’n eind. Plotseling kwam er een einde aan de
sneeuwvlakte.
Het pad doemde, na lange tijd van afwezigheid, weer voor ons op. Toen
wij
de stafkaart hierover raadpleegden bleek dat wij een flink eind uit de
richting hadden geklommen. De top was nog steeds niet zichtbaar. Die
verschool
zich achter een steile wand. Na hernieuwt het pad te volgen klommen wij
langzaam in de richting van de kam. Dit gedeelte verliep gemakkelijk.
Het
was een vrij horizontaal pad met hier en daar een lichte stijging. Hier
konden wij onze energie weer enigszins op pijl brengen.
Tijdens de totnogtoe afgelegde tocht hadden wij
slechts één keer gerust. Op dit gedeelte kwamen wij
ongeveer
50 meter boven ons meerdere steenbokken tegen. Hoe moeizaam wij ons
voortbewogen
op die hoogte hoe gemakkelijk, als hinden, liepen deze beesten over de
berghellingen. Dat is uiteraard logisch ook want dit is hun natuurlijke
omgeving. Enkele van de reisgenoten klommen vanaf het pad naar zo’n 50
meter hoger liggende grot. Later bleek het niet meer dan een forse
inham
in de berghelling te zijn. Een van de steenbokken kwam daar, onbedoeld,
in het nauw. Hij nam een enorme sprong en landde op een smalle richel.
Vandaar uit rende hij, net zo makkelijk als wij uit ons bed stappen,
verder
naar zijn rasgenoten.
Eenmaal boven deze helling uitgekomen maakte het
pad een scherpe bocht naar rechts en, je raadt het al, kwamen wij
wederom
een sneeuwvlakte op onze weg tegen. Ook deze moesten wij, om de kam te
bereiken, oversteken. In eerste instantie namen wij een korte rust
pauze.
Enkele van het reisgezelschap wilde er eigenlijk al de brui aan geven.
Niet in de laatste plaats door een slechte keuze van schoeisel, ook de
conditie liet iets te wensen over. Andere leden van het reisgezelschap
wilde van opgeven niet horen. Tjacmans ging hier een rol spelen die hem
op het lijf geschreven was. Hij hield hier een peptalk die Ratelband in
de kou deed staan. Hij begon over die grote beloning die ons wachtte op
de top, het schitterende uitzicht. Na deze peptalk haalde enkele mensen
weer opgelucht adem. De rugzakken werden weer omgegespt en de reis kon
weer aanvaard worden.
Je moet je voorstellen dat het, buiten een aantal
kwetterende vogeltjes, aardig stil is in de bergen. Op een gegeven
moment
hoorden wij een geluid of er een vliegtuig laag over kwam denderen. Een
van de reisgenoten sprong op en riep: " Een lawine". En jawel, op de
helling
schuin tegenover de locatie waarop wij ons op dat moment bevonden kwam
met donderend geraas een heuse lawine naar beneden zetten. Zelf had ik
er nog nooit een gezien maar dit was een imposant gezicht. Sneeuw, ijs
en modder wierpen zich met kracht naar de vallei eronder, in hun val
enkele
kleine boompjes meenemend. Zeker niet in de laatste plaats dat het
besef
groeide dat ook op de hellingen waarop wij zojuist hadden geklommen
zich
zo’n verschijnsel zich voor had kunnen doen. De knieën begonnen op
dat moment best even te knikken. Ik hoef niet te vertellen dat de
rugzakjes
weer af gegespt werden en de mensen die toch al niet zo’n spirit meer
hadden
was dit door het voorval weer de bodem ingeslagen.
Wederom moest Tjacmans al zijn gaven uit de kast
halen om de spirit weer op te krikken. Hij had het over: "Ja, die
helling
heeft de hele dag in de zon gelegen en is veel steiler dan diegene
waarover
wij verder moeten klimmen." Dat hij enigszins met argusogen werd
gadegeslagen
hoeft geen betoog. Maar toch kreeg hij het voor elkaar. Het voltallige
reisgezelschap aanvaarde de tocht verder naar de top. Het pad werd, na
enkele tientallen meters, wederom overlapt met een deken van sneeuw.
Ook
deze vlakte staken wij over. Na een moeizame tocht over deze
sneeuwvlakte
hield deze op en een vrij steile helling van grasland doemde voor ons
op.
Tussen het gras lagen her en der rotsblokken verspreid. En dat was maar
goed ook. Het bleek dat de helling zo steil was en de modder zo nat
zodat
deze nagenoeg geen houvast gaf aan onze schoenen. Wij waren aangewezen
op de rotsblokken die hier en daar uit de helling staken. Op die
stukken
dat er geen rotsblokken waren deed je een stap naar boven en gleed je
er
een halve weer naar beneden. Op handen en voeten beklommen wij de
helling.
Het schoot niet echt op. De motivatie gleed met de halve stap dan ook
langzaam
weg. Er waren meerdere die geluiden lieten horen dat zij het niet zo
erg
meer zagen zitten. De vermoeidheid sloeg duidelijk toe. Er leek geen
einde
aan de helling te komen. Ieder keer wanneer je het gevoel had, het kan
niet lang meer duren, keek je naar boven en bleek dat het gedeelte
welke
in eerste instantie aan het oog onttrokken nu te voorschijn was
gekomen.
Deze klim leek uren te duren. Ongeveer 50 meter onder de top van de kam
was de moed bij sommige dusdanig gedaald dat er sprake was van een
tweestrijd.
Er waren een aantal die echt niet verder wilden en het "gehad" hadden.
Wederom moest Tjacmans alias Ratelband eraan toekomen om er in ieder
geval
voor te zorgen dat de kam bereikt werd. Vandaar uit had je een
schitterend
uitzicht over een gedeelte van de alpen en de Mont Blanc. Na een korte
rust pauze, waarbij wij ontdekten dat onze watervoorraad ernstig was
geslonken,
togen wij, toch allemaal, verder. Wanneer wij de top van deze helling
zouden
bereiken zouden wij op de kam staan, op ongeveer 2000 meter hoogte. Het
was omstreeks 15.30 uur, na 5 uur klimmen, dat wij de kam bereikten.
Niets
was teveel gezegd, het uitzicht was schitterend. Je had een zeer weids
uitzicht over de alpen die, met hun besneeuwde toppen, het zonlicht
weerkaatsten.
Ik heb zelden zo’n mooi vergezicht gezien. Eindeloos leek het zich uit
te strekken aan de horizon, bergketens met eeuwige sneeuw op de toppen.
Het uitzicht was mooi maar toch wilde en groot
aantal van de reisgenoten de tocht naar de top, die vandaar uit nog
ongeveer
450 meter hoger lag, niet voort zetten. Even leek het erop of er zou
een
splitsing in 2 groepjes komen. Hierop lieten wij het niet aankomen.
Madman
en Kreukelmans zetten hun tocht eventjes voort naar een nabij gelegen
top,
op zo’n hoogte van 2050 meter.
Vandaar uit was de werkelijke top van La Tournette
te bewonderen. Vandaar uit nog ruim 400 meter verder klimmen en de
wetenschap
dat de afdaling dan in het donker zou moeten gebeuren leek niemand,
uitzonderingen
daar gelaten, een prettige gedachte. Daardoor werd besloten omstreeks
16.00
uur de terugtocht te aanvaarden. Weliswaar hadden wij die dag de top
niet
bereikt van een afgang is zeker geen sprake daar er een behoorlijke
prestatie
is neergezet. De terugtocht verliep veel sneller als dat in eerste
instantie
gedacht werd. De tocht naar de kam waarvoor wij 5,5 uur nodig hadden om
boven te komen daalden wij in 3 uur af. De sneeuwhellingen gaf ons het
meeste voordeel. Met maat 44, een beetje durf en een goede stok kwam je
een heel eind. Boven aan de helling een klein sprongetje, voeten in de
sneeuw en het leek of je aan het skiën was. Daarnaast bleek dat
wij
bij het stijgen, mede door het ontbreken van het pad, een grote omweg
hadden
gemaakt. Over de afdaling valt eigenlijk niet zoveel te vertellen,
alles
ging van een leien dakje. Ik heb niemand horen klagen dat hij terug
wilde,
logies natuurlijk, we gingen toch al naar beneden. Na 8,5 uur terug bij
de auto’s kwamen de tongen weer los. Er werden vele sterke verhalen
verteld
over de helden daden en de vele uren van zwoegen. Daarna aanvaarden wij
de reis terug naar de tent.
Police municipal
De volgende morgen stonden wij voor dag en dauw
op, omstreeks 09.30 uur. Het had die nacht weliswaar geregend, op dat
moment
was het droog. Wij zouden voorbereidingen gaan treffen voor het
avondmaal,
de barbecue. Eerst nog gauw een ontbijtje naar binnen werken, Wat
koekjes,
een beetje koffie. Daarna naar het dorp om inkopen te doen.
De lokale ondernemers waren op deze massa inkopen
niet ingesteld. Bij de plaatselijke bakker hadden wij een dag eerder
alle
stokbrood opgekocht. Deze man was direct gaan rentenieren. Daarom
besloten
wij naar het nabij gelegen Annecy te rijden. Bij een enorme hypermarkt
hebben wij onze inkopen gedaan. Je kunt het zo gek niet bedenken of
daar
verkopen ze het. Alleen rare verzoeken, zoals roze olifanten in levende
lijve, kunnen ze niet leveren voor de rest alles. Hier de inkopen
gedaan
voor het komende festijn van die avond Nadat wij alle inkopen over de
voertuigen
hadden verdeeld reden wij terug naar de tenten.
Nabij de tenten stonden zogenaamde opslaghuisjes.
Bij een van deze huisjes lagen tal van balken, kennelijk bedoeld om
drijvende
steigers te bouwen. Deze balken kwamen ons goed van pas. Nee, niet
meteen
denken dat wij deze zouden opstoken in het barbecue vuur, zoals wel in
eerdere survivals het geval was. Wij maakten met deze balken een zitje.
Drie banken in een u vorm die onderling aan elkaar verbonden waren
hadden
wij gecreëerd. Vanaf het huisje hadden wij een zeil gespannen naar
de dichtst bij zijnde boom om ons zoveel mogelijk te beschermen tegen
de
regen. Ondertussen hadden andere een tweetal drijvers, die als tafels
moesten
dienen tussen de banken klaar gezet. Weer anderen hielden zich bezig
met
het aanmaken van de barbecues. Na gedane arbeid is het goed te rusten.
Zo zaten wij met z’n allen op de banken in een kring te knabbelen op
wat
stokbrood toen Nickmans tegen mij zei: Nou, daar komt een donderwolk
aan.
Toen ik omkeek zag ik wel een mannetje in onze richting lopen, gekleed
in iets wat in de verte op een uniform leek, maar ik sloeg hier geen
acht
op. Ik was in eerste instantie bezorgder om de donkere wolken die onze
kant uit kwamen. Niets bleek minder waar, uit de wolken kwam niet
zoveel,
uit het mannetje des te meer. Hij probeerde in een stortvloed van
franse
woorden ons duidelijk te maken dat wij daar niet mochten kamperen. Hij
was vreselijk boos en wees op de door onze voertuigen gemaakte sporen
in
het gras.
Tjacmans deed nog een poging om de woede van de
franse "collega" te temperen door te zeggen dat wij van de politie van
Amsterdam waren. Het mocht niet baten, het mannetje gaf ons "une
heure"tijd
om te vertrekken, anders....Na deze mededeling vertrok het mannetje in
de richting van een nabij gelegen woonhuis. Van achter de heg
observeerde
hij onze bewegingen.
Naar mate het "heure" verstreek, en wij geen aanstalten
maken om te vertrekken, werd hij zienderogen onrustiger. Ten einde te
voorkomen
dat er een busje franse "collega’s" werd opgetrommeld besloten wij toch
maar om te verkassen naar een legale plaats op de camping. Dit ging
overigens
veel makkelijker dan in eerste instantie werd vermoed. Bij de grote
tent
was het de haringen uit de grond, één man de tentstok,
twee
man het grondzeil en daar ging het hele spul in de richting van een
grasveldje
welke wel bij de camping behoorde. Aldaar de tenten in een mum van tijd
neer gezet. Maar niet alleen de 2 tenten ook de balken werden versleept
naar het campingterrein. Daar hebben wij wederom een zitje
gecreëerd.
De franse "collega" werd niet meer waargenomen. Kennelijk vond hij dat
het naar tevredenheid was verlopen.
Dat de plaats er niet toe doet om tot een waar
eet- en vooral drinkfestijn te komen maar dat het gezelschap dit
uitmaakt
werd wel bewezen. Tot in de late uurtjes werd doorgegaan met eten en
drinken
en vooral het vertellen van vele verhalen.
De reis terug
Zoals ik de afdaling vanaf de kam naar de parkeerplaats
van onze auto’s had beschreven, kan ik ook de terugreis naar Nederland
beschrijven. Er valt niet veel over te zeggen. De meesten waren
duidelijk
vermoeid in al hun ledematen en hadden ook niet veel praats meer. Er
werd
wat heen en weer geroepen door de "bakkies" en er werd vooral gereden.
Er moest toch z’n kleine 1100 kilometer worden afgelegd. Na een aantal
kleine stops kwamen wij aan in Houten alwaar er, na het oprapen van de
persoonlijke spullen, huiswaarts werd gegaan. Eenmaal thuis blij dat de
reis erop zit. Met een kleine voorbereiding en wat training zijn wij
misschien
(gni, gni) wel klaar om in december 1999 de ECO-CHALLANCE te
volbrengen.
Jammer dat de teams uit niet meer dan vier personen mogen bestaan. Maar
dat dit een onvergetelijke ervaring was die ik zeker niet had willen
missen
hoeft niet gezegd te worden. Ik denk dat een ieder hierover zo denkt.
René Talsma
Juli 1999